“Dit is al slaan, hè.”

januari 14, 2012

“Heeft u uw vrouw op haar hoofd en schouder geslagen?” vraagt de rechter aan de 42-jarige Jaap. Hij werpt een strenge blik op de verdachte.

Jaap zit rechtop in zijn stoel. Hij vouwt nerveus een A4’tje open en dicht, dat hij heeft meegenomen van huis.

“Nee. Ik heb haar niet geslagen”, is zijn antwoord. “Ik heb haar geduwd. Dat is nogal een verschil.”

De rechter hengst zijn rechterhand tegen zijn linkerarm. “Dít is al slaan hè”, slaakt hij op dreigende toon. “Heeft u dat misschien gedaan? Pats, zo tegen het hoofd?”

Jaap verstijft. Hij schrikt van de houding van de rechter en geeft niet meteen antwoord.  Hij richt zijn blik naar beneden, naar het beklaagdenbankje, en geeft daarna zachtjes toe wat er gebeurd is. “Ik heb haar inderdaad op haar schouder geslagen. Maar niet op haar hoofd.”

Jaap ziet er niet sterk uit. Geen brede kerel, geen spierballen, maar een minuscuul bovenlichaam, een grijs vestje en een lichtblauwe spijkerbroek waarvan de pijpen twee slagen zijn opgerold.

Volgens de aanklacht ging bij Jaap het licht uit toen hij op een dag in juni ’s avonds bezopen thuis kwam. Hij woonde tijdelijk met zijn vrouw en kinderen bij zijn moeder. Toen hij de woonkamer binnenstapte, smeet hij meteen een dozijn scheldwoorden naar zijn echtgenote. Daarna sloeg hij haar.

Hij griste een zakmes uit zijn broekzak en klapte het onder de ogen van zijn vrouw open.

Tot een steekpartij of een bedreiging kwam het niet.

“U heeft gezegd dat u het huis in brand ging steken”, weet de rechter.
“Klopt. Ik ga hier niet zitten liegen. Ik heb dat inderdaad gezegd, maar dat was tegen mijn moeder. Niet tegen mijn vrouw.”

“O ja?”, vraagt de rechter verbaasd.
“Ja. Ik was na de ruzie al naar buiten gerend, toen mijn moeder me achterna kwam. Ze schreeuwde dat ik in de gevangenis hoorde. Toen heb ik geroepen dat ik het huis in brand zou steken.”

Dat heeft hij uiteindelijk niet gedaan. Sterker nog, het gezin is weer hartstikke gelukkig. Jaap is nog steeds bij zijn vrouw. Hij en zijn moeder hebben vrede gesloten en zijn kinderen hebben geen last meer van schreeuwende ouders.

De rechter houdt rekening met de gezinssituatie. “Het is niet wenselijk als ik u nu naar de gevangenis stuur.”

Hij veroordeelt Jaap niet tot een gebruikelijke celstraf, maar tot een taakstraf van 60 uur, waarvan 20 uur voorwaardelijk.

“Dit was het voor vandaag. U kunt weer gaan.”
Jaap knikt en staat op. “Bedankt. En tot ziens.”

Jaap heet geen Jaap


Met de hele familie naar Maastricht

december 21, 2011

Omdat mijn oma 80 jaar was geworden, leek het ons een leuk idee om met de hele familie een dag naar Maastricht te gaan. De hele familie was: één oma, één opa, drie tantes, één oom, drie kleindochters, drie kleinzoons, vijf aanhangsels en één persoon van wie ik niet weet hoe ik haar moet omschrijven. Twee mensen hadden afgezegd. De een omdat ze van de trap was gevallen, de ander omdat hij thuis op de honden moest passen.

De verwachtingen waren hooggespannen, want Maastricht heette in deze periode van het jaar ‘Magisch Maastricht’. Ons voornaamste doel was de kerstmarkt op het Vrijthof bewonderen. Mijn oudste neef blikte in de trein alvast vooruit.
Of we daar langer dan een uur zouden blijven? Nee toch?
Ik hoopte van niet.

Nadat we de trein waren uitgestapt, hield ik een wedstrijd met mijn zus: wie als eerst André Rieu zag…mét viool. Heel even dacht ik te kunnen winnen, omdat ik allerlei voorbijgangers zag staren naar drie volwassen mannen die een kerstmuts op hun hoofd droegen en die secondelang hetzelfde deuntje speelden. Maar helaas, geen van de muzikanten was André Rieu.

Op de kerstmarkt verkochten ze vooral spullen die ik al had: wanten, mutsen en sjaals. De familie zwierf van kraampje naar kraampje en ik hobbelde daar achteraan. Het eerste wat ik zag hangen was een babyshirt met de tekst: ‘Ik heb negen maanden vastgezeten’. Niet veel later keek ik over de schouder van mijn tante naar een blauw, een geel, een rood en een groen horloge, terwijl diezelfde tante me leerde dat je eigenlijk alle vier de kleuren moest kopen.

De vriend van mijn moeder zag een kraampje waar ze glühwein verkochten en raakte volledig in extase.
Hij riep: “Gluhwein. Woeeeei!!”
Een toevallige voorbijganger deed hem na. “Woeeei?” zei ze.
Ze barstten allebei in lachen uit.
Mijn oudste neef vroeg zich af of de vriend van mijn moeder weer met andere vrouwen aan het sjansen was.
Mijn moeder zei: “Dat doet-ie altijd.”

Op het Vrijthof waren ook allerlei attracties neergezet. Ouders duwden hun kinderen in de draaimolen, zetten hen op een neppaard of op een nepvarken en zeiden daarna: “Leuk hè?”
Toen we een grote glijbaan passeerden, keek mijn familie me lachend aan. Of ik daar misschien met een kleedje vanaf wilde glijden? Nee, echt niet? Jammer zeg.  
En toen we naast de schaatsbaan stonden, bedacht ik uit verveling weer een wedstrijd: dit keer wie als eerst iemand op z’n bek zag gaan…

Nadat we in een café naast de schaatsbaan iets warms hadden gedronken en ik talloze kerstliedjes had moeten aanhoren, had oma opeens een idee. Ze wilde graag naar nummer vijf van de plattegrond. De levende kerststal.
Ik kon niet wachten.

Toen we daar aankwamen, stonden een stuk of tien mensen ademloos te kijken naar een man die deed alsof hij Jozef was, een vrouw die zich verkleed had als Maria en een baby die het stervenskoud moest hebben.

In de kerk naast de levende kerststal namen we plaats op een bank die niet lekker zat en luisterden we naar een vrouw uit Maastricht die we niet kenden en niet verstonden. Vanaf dat moment verlangde ik naar huis.

Aan het eind van de middag vond ook de rest van de familie het mooi geweest. We liepen naar het station en kochten een paar flessen wijn. Die dronken we leeg in de trein, terwijl ook de versnaperingen tevoorschijn waren gekomen.
“Wie wil er nog kaas?”, gilden we regelmatig door de coupé.
“Wie wil er nog Sneeuwspritsen?”
Een medereiziger die een boek aan het lezen was, keek nogal chagrijnig en stopte haar vingers in haar oren.
Toen wist ik meteen genoeg: dit was het leukste moment van de hele dag.


Verslag van een treinreis

december 11, 2011

Niet zo lang geleden stond ik met mijn fiets op het perron van station Rotterdam Lombardijen. Ik had een kaartje gekocht waarop stond: Dagkaart fiets binnenland. Zonder dat kaartje mocht mijn fiets de trein niet in. Hij was niet ‘opvouwbaar’.

Om de gewenste plek van bestemming te bereiken – Nieuw-Vennep – nam ik de intercity naar Leiden Centraal. Dat bleek een dubbeldekker te zijn. Toen hij het station binnenreed, moest ik de deuren zoeken waarop een plaatje van een fiets stond. Het naar binnen tillen van de fiets verliep redelijk soepel, ondanks de vrouw die voordrong en daardoor mijn voorwiel bijna in haar nek kreeg.

Ik parkeerde mijn fiets in het halletje en nam plaats op een stoel die ik naar beneden moest klappen. Bij Schiedam stapten er drie mannen in: twee Marokkanen, die op de vier stoelen tegenover me gingen zitten, en een Pool.  De Pool droeg in zijn rechterhand een oranje plastic tasje, waarop in grote letters stond: Ik ben de baas.

Vanuit de deuropening keek de Pool me vragend aan.
“Laidan?”, zei hij.
Ik begreep niet wat hij bedoelde.
“Laidan?” zei hij nog een keer.
Ik begreep nog steeds niet wat hij bedoelde.

“Leiden?”, zei één van de Marokkaanse mannen toen. Gevolg door: “Nee, deze trein gaat niet naar Leiden.”
Deze trein ging wel naar Leiden.
De Pool keek mij wederom vragend aan, alsof ik moest bevestigen dat hij moest uitstappen.
“This train is okay”, zei ik in mijn beste Engels en ik stak mijn duim op.
Hij gaf me een hand.
Hij gaf de twee Marokkaanse mannen – die hem onterecht naar buiten hadden willen sturen – ook een hand.

Daarna leunde hij tegen de deuren die inmiddels dicht waren gegaan, keek hij verward om zich heen, liep hij de trap vier treden op en bleef hij een paar seconden stilstaan, liep hij de trap vier treden af, keek hij opnieuw verward om zich heen, richtte hij zijn blik naar de boven- én naar de benedenverdieping, en klapte hij uiteindelijk een stoeltje naast me omlaag.
Zo.
Hij zat.

Ergens voorbij Schiedam schudde de trein nogal en donderde mijn fiets bijna om.

Bij Delft stapte er een man in die zijn handen vol had: in zijn linkerhand een IKEA-tas en in zijn rechterhand een rol tapijt die twintig centimeter groter was dan hijzelf. Zijn vrouw droeg alleen een plastic tasje van de Albert Heijn.
Ze bleven allebei in de hal staan en zeiden de hele reis niets tegen elkaar.

Bij Den Haag HS – “we hebben zo’n tien minuten vertraging, excuses voor het ongemak” – stonden de Marokkaanse mannen op en stapten ze uit.
De trein bleef veel te lang stilstaan. Ik beet op mijn onderlip. Daar gaat m’n aansluiting, dacht ik.

De Pool raakte opeens in paniek en sprong omhoog.
Hij vluchtte naar buiten en vroeg daar aan de man met de rol tapijt, die nog steeds binnen stond, of dit Leiden was.
“Ja”, zei de man merkwaardig genoeg, en hij wees met zijn vinger naar voren. “That way.”
Hij bedoelde dus eigenlijk ‘nee’.
De Pool begreep hem, stapte weer in en ging meteen op dezelfde stoel zitten als eerst.

Toen we in Leiden aankwamen, bleek dat ik mijn aansluiting had gemist.
Kutzooi, dacht ik. Een half uur wachten.
In mezelf maakte ik de NS voor alles en nog wat uit.
Een man van de NS wenste me toch een eventuele fijne voortzetting van de reis.


Verslaafd aan boodschappen stelen

november 29, 2011

Een 50-jarige vrouw staat in de deuropening van de rechtszaal. Het is Joke. Ze draagt een oude, bruine jas en heeft grijze haren. Met haar schoudertasje stevig in haar handen blijft ze stokstijf staan. Haar ogen verkennen de zaal.

“Komt u maar verder hoor”, helpt de rechter haar.
Joke gehoorzaamt. Heel voorzichtig begeeft ze zich naar het beklaagdenbankje. Stap voor stap.

Eenmaal aangekomen gaat ze op het puntje van haar stoel zitten. Ze krimpt in elkaar en kijkt naar beneden.

“Dit is de officier van justitie”, zegt de rechter terwijl hij naar rechts kijkt. Daarna werpt hij een blik naar links. “En dat is de griffier.”
Joke knikt zachtjes.
“Ik zal u straks een paar vragen stellen, mevrouw. Vervolgens zegt de officier van justitie wat hij van de zaak vindt. Daarna krijgt u het laatste woord en tot slot doe ik uitspraak. Begrepen?”
Ja. Begrepen.

Joke blijkt een winkeldief te zijn. Ze smokkelde boodschappen de Super de Boer uit. Dat haar tas propvol zat, merkte niemand.
Behalve de camera’s.

Tegen de politie verklaarde ze dat ze niet anders kon. Ze was verslaafd. Aan boodschappen stelen. Dat deed ze minstens twee keer per week.

“U verdient 1800 euro bruto”, zucht de rechter. “Waarom doet u dit dan?”
Joke haalt haar schouders op. “Ik heb geen idee. Echt niet. Ik schaam me ervoor. Ik heb inmiddels hulp gezocht bij een psycholoog, want het kan écht niet wat ik gedaan heb.”

De rechter zegt mild voor haar te zijn. Hij legt een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur op. “Het is goed dat u hulp heeft gezocht, mevrouw. U hoort niet op een politiebureau thuis.”

Joke knikt. Ze grijpt haar schoudertas van de grond en staat op.
Voordat ze wegloopt, schiet haar nog iets te binnen.
Ze vraagt: “Heb ik nu een strafblad?”
“Dat klopt”, antwoordt de rechter.
Joke richt haar blik weer naar beneden.
“En als ik solliciteer naar een nieuwe baan…”, jammert ze, “en ze willen een verklaring van goed gedrag…Wat dan?”
De rechter is er even stil staan. Tot verdriet van Joke antwoordt hij: “Dan zien ze dat u betrapt bent op diefstal.”

Joke zegt niets meer terug. Ze loopt meteen weg.
De rechter kijkt haar nog één keer na.

Bij de deur draait Joke zich toch opeens om.
“Bedankt”, reageert ze.
Daarna verdwijnt ze door de deuropening. Met haar hoofd weer naar beneden.

Joke heet geen Joke.


De verjaardag van de rechters

november 11, 2011

Het was feest in de rechtbank in Dordrecht. De rechterlijke macht bestaat dit jaar tweehonderd jaar en dat moest gevierd worden. Niet met ballonnen of slingers, maar met een Meet the judge-avond, een bijeenkomst waarop burgers vragen mochten stellen aan rechters.
Ik mocht ook vragen stellen.
Ik ben ook burger.

Bij binnenkomst (“Aha, daar hebben we onze blogger”) werd ik geattendeerd op de koffie, thee en speculaaskoeken. Ik sloeg het aanbod af, omdat ik net frites met fritessaus, een McKroket en een medium Cola had weggewerkt.

De rechtbankpresident kwam naar me toe en stak zijn hand uit.
“Mag ik vragen waarom u hier bent?”
Dat mocht.
Ik legde hem uit dat ik student journalistiek ben, en blogger, en correspondent van de lokale krant, en dat deze avond me ontzettend boeiend leek.
Hij knikte.
Daarna draaide hij zich om en stapte hij op een vrouw af.
“Mag ik vragen waarom u hier bent?”

Het aanwezige publiek, een man of 25, werd in twee groepen verdeeld. Ik zat in groep één.
We werden meegenomen naar een zogenoemde enquêtekamer en gingen in een kring zitten.
Naast me zat een vrouw – ze was rechter – met een pen in haar hand en een kladblok op schoot. Ze speelde vandaag notulist. Of griffier, het is maar hoe je het bekijkt.
Iemand die erbij hoorde, vroeg of we geen bezwaar hadden als de persfotograaf straks een paar foto’s zou maken.
Een vrouw zei: “Dan moet ik mijn haar even goed doen hoor.”
Dat bleek een grapje te zijn.
Ze had geen bezwaar, zei ze, ze vond het zelfs “hartstikke leuk”.

We begonnen.
Ik vroeg aan een strafrechter of hij artikelen in de krant leest over zaken waarin hij uitspraak moet doen.
Soms wel, soms niet, antwoordde hij.
“Wordt u daar door beïnvloed?” vroeg ik.
De rechter dacht diep na.
Hij keek het plafond aan.
“Daar kan ik geen ja op zeggen”, zei hij uiteindelijk.
“Dat is dus nee?” vroeg ik.
De hele kring moest lachen.
“Inderdaad”, luidde het antwoord.

De groep bestond uit verschillende soorten mensen.
Een docent maatschappijleer, rechtenstudenten, middelbare scholieren en vaders van middelbare scholieren.
De 6-vwo’er die drie stoelen naast mij zat, stelde de hele avond geen enkele vraag.
Een vrouw tegenover me zei: “Ik ben een keer naar een rechtszaak geweest en toen had iemand van de rechtbank de hele tijd zijn ogen dicht.”
De rechter: “Was het de griffier? Misschien kon ze blind typen? Hahaha.”

Ik legde de rechter uit dat ik regelmatig politierechterzaken bezoek om verslag te doen voor mijn studie of voor mijn weblog.
“Als ik zo’n zaak bezoek, moet ik af en toe best lachen”, zei ik.
De rechter wilde weten waarom.
Ik gaf het voorbeeld van een verdachte die zijn baby meenam naar de rechtszaal.
Er verscheen een kleine glimlach op het gezicht van de rechter.

“Soms vind ik het net Man Bijt Hond”, zei ik.
De kring begon weer te lachen. Ik kreeg het idee dat ze me knettergek vonden.
De rechter begreep dat ik – “als buitenstaander” – anders naar een zaak keek.
Máár, zei hij: “Iedere verdachte verdient een serieuze behandeling. Wij kunnen in een zaak niet zomaar gaan zitten lachen.”
Daar was ik het mee eens.
De notulist naast me schreef in haar kladblok: ‘PR-zittingen. Soms ook lachen.

Toen we een uur hadden gepraat, was de tijd voorbij en rondde de rechter het gesprek af.
Hij vond dat we goede vragen hadden gesteld.
Ik moest nog een formulier invullen of ik zeer tevreden, tevreden, ontevreden of zeer ontevreden over de bijeenkomst was.
Onderaan het formulier stond: ‘Een fijne reis naar huis’.
Alsof ze wisten dat ik nog een kwartier in het donker door Dordrecht moest fietsen.

De volgende dag stond er een artikel in de regiobijlage van het Algemeen Dagblad.
Ik werd niet geciteerd. Ik stond ook niet op de foto.


Een dag in de gevangenis

november 7, 2011

Een half uur te laat liep ik de bezoekerszaal van de gevangenis in Scheveningen binnen. Het was Open Dag. Ik werd ontvangen door twee vriendelijke vrouwen, Kitty en Carla, die vroegen of ik koffie of thee wilde. Ik koos voor thee.
Ik kreeg een bekertje warm water.
Het zakje moest ik er zelf maar in doen.

Met mijn plastic bekertje begaf ik mij tussen de mensen die net als ik een rondleiding kregen. Zij hadden hun koffie of thee al op. Zij zaten er waarschijnlijk al vanaf tien voor één, want in de brief stond dat je een half uur van tevoren aanwezig moest zijn. Te laat was te laat.
Toen ik mijn eerste slok nam, was het al half twee.

Ik was precies op tijd, zo bleek. Ene Erik nam het woord. Hij had een ringbaardje en zei dat hij de rondleiding verzorgde. Kitty en Carla gingen ook mee. Wie wie was, wist alleen Erik.

We werden meegenomen naar de A-vleugel. Voordat Erik voor het eerst iets kon uitleggen, stelde een lange man met grijs haar en een bril meteen al een vraag. Hij wees naar de keycord om de nek van Erik en zei: “Wat staat daar eigenlijk op?”
Er stond: Waar vrijheid ophoudt…
Erik zei: “Dat staat ook op die van u.”
De man keek naar beneden.
Verdomd, daar stond het ook.

Bij de luchtkooi legde Erik uit dat gevangenen daar gelucht worden. We mochten een kijkje nemen. Hij zou de deur niet op slot doen, beloofde hij.
Sommige mensen moesten daar om lachen.
Terwijl twee nieuwsgierige vrouwen in de luchtkooi om zich heen keken, deed de lange man – alsof het zijn eigen grap was – net alsof hij de deur wilde dichtgooien.
Sommige mensen moesten daar ook om lachen.

Ondertussen beantwoordden Kitty en Carla allerlei vragen van bezoekers. Eén van de twee droeg gips om haar linkerpols. Ik had nog steeds geen idee wie.

Vervolgens gingen we door een smal gangetje op weg naar het volgende cellenblok. De lange man probeerde me in te halen. Dat lukte niet.

Erik liet zien dat de cellen twee deuren hadden. Als je die dichtgooide, hoorde je volgens hem aan de binnenkant een enorme knal. Twee vrouwen namen de proef op de som en lieten zich opsluiten.
Inderdaad, ze vonden het een enorme knal.
De lange man wilde dat ook eens horen. Hij liep naar binnen. Ik ging met hem mee, net zoals een stuk of vijf andere bezoekers. “Hoho! Stop!”, zei de man toen. “Niet te veel! Anders hoor je het niet.”
Hij had gelijk. De knal viel tegen.

Daarna werden we meegenomen naar één van de vier dodencellen. Gevangenen werden daar vroeger, tijdens de Tweede Wereldoorlog, opgesloten als ze waren veroordeeld tot de doodstraf.
De cel had nummer 601.
“Welk nummer hebben die andere cellen?” wilde de lange man weten.
“602, 603 en 604”, zei Erik.
“O”, zei de lange man.

Iemand anders had een vraag over de doodstraf bedacht. Ze wilde weten op welke manier die werd uitgevoerd.
“Met de kogel”, antwoordde Erik.
“Ja, met de kogel”, herhaalde de lange man.
“Gefusilleerd”, voegde Erik eraan toe.
“Ja, gefusilleerd”, zei de lange man.
Hij keek de vrouw triomfantelijk aan.

Niet veel later hadden we alles gezien en was de rondleiding ten einde. Toen we ons naar de uitgang begaven, liep Kitty naast me. Of Carla. Eén van de twee.

Ik keek naar het gips om haar linkerpols.
“U heeft toch niet met een gevangene gevochten, hè?”, vroeg ik.
“Nee”, zei ze, “met een kast.”
Ik: “Met een kast?”
“Ja, met een kast. Hier, in de gevangenis. Toen ik er iets uit wilde pakken, viel hij om. Zo, bovenop me. Ik was bijna dood geweest. Zie je het al voor je? Dat in de krant staat: ‘Vrouw gedood in gevangenis.’ Maar dan op een andere manier dan je zou verwachten.”
Ik: “Hahaha.”

Daarna wenste ik haar beterschap en ging ik naar huis. De keycord nam ik mee.


Een interview met een trainer om nooit te vergeten

oktober 27, 2011

Het moet ergens in 2010 zijn geweest. Het briljante tv-interview met een onbekende voetbaltrainer. Geen idee wij hij was of welke club hij trainde. Daar ging het ook niet om. Het ging om het volgende:

Twee voetbalclubs uit de Blue Square Premier League speelden tegen elkaar. Ja, de Blue Square Premier League ja. De vijfde divisie in Engeland. De wedstrijd was live te volgen op een of andere Engelse zender. Via de computer was het schouwspel ook in Nederland te zien.

Terwijl de bal gewoon rolde, kwam er vanuit het niets een jonge vrouw in beeld. Ze had een microfoon in haar hand en stond naast de dug-out van de trainer, die vanaf de bank met enkele handgebaren zijn mannen naar voren dirigeerde. Zijn ploeg stond op achterstand. Hij had het er maar druk mee, met aanwijzingen geven. Totdat de verslaggeefster hem ongeduldig aankeek. Toen wist hij meteen genoeg. Het was tijd voor een interview. 

Hij begon niet te schelden en duwde haar niet eens opzij. Nee, hij kwam braaf overeind en stelde zich netjes langs de zijlijn op. De verslaggeefster ging naast hem staan, de cameraman bracht de twee hoofdrolspelers perfect in beeld. Op de achtergrond werd er gewoon doorgevoetbald. Blijkbaar hoort dat erbij in de Blue Square Premier League: interviews geven tijdens de wedstrijd.

De verslaggeefster liet merken dat ze het scoreverloop had gevolgd. Ze vroeg wat de trainer aan de achterstand dacht te gaan doen. Nou, zei hij, zijn ploeg moest verder naar voren spelen. Dan kwam het vanzelf goed. Hij had nog volop vertrouwen in een overwinning.

Even later bleek dat hij, tijdens het interview, zijn ploeg nog steeds in de gaten hield. Hij gaf keurig antwoord op een vraag, draaide zich opeens om en richtte zich tot een treuzelende speler die de bal had: “Forward!”, schreeuwde hij. “Forward!” Tegelijkertijd maakte hij met zijn handen allerlei wilde gebaren om zijn team naar voren te sturen. Toen blijkbaar niemand naar hem luisterde, vuurde hij een dozijn scheldwoorden op zijn spelers af. Daarna werd hij rustig en richtte hij zich weer tot de verslaggeefster. Die ging geconcentreerd door met het interview. Alsof er niets was gebeurd.

Een paar vragen later was het gesprek voorbij. De trainer liep terug naar de bank en de wedstrijd kwam terug in beeld. Gelukkig was er in de tussentijd niet gescoord, anders had de kijker het doelpunt moeten missen.

Na dit briljante interview volgde al snel een ander, net zo briljant interview. Terwijl een speler naar de kant sjokte omdat hij een rode kaart had gekregen, stond de verslaggeefster hem bij de zijlijn al op te wachten. Ze duwde haar microfoon onder zijn neus en vroeg meteen om een reactie. Absoluut geen rode kaart, zei hij. Daarna ging hij douchen.

Maar niet voordat de trainer hem nog even aankeek. De twee mannen leken precies hetzelfde te denken. Dit was een goed interview.


De verklaring van Koos

oktober 21, 2011

Koos zit in het beklaagdenbankje. Klaar om de strijd met de rechter aan te gaan. Klaar om zijn onschuld te bewijzen. Hij heeft thuis een briefje geschreven met dingen die hij absoluut niet mag vergeten te zeggen. Want hij moet natuurlijk wel een geloofwaardig verhaal hebben.

Anderhalf jaar lang had Koos een hennepkwekerij in de garage van zijn ouders. Hij woont bij pa en ma, als 47-jarige man, zonder werk, zonder vrouw, zonder kinderen. Je zou zeggen dat hij niet veel geld hoeft uit te geven. Toch kluste hij bij als wietteler.

Nadat de kwekerij was ontdekt, bleek dat er ook met de energiemeter was geknoeid. Iemand had voor 2650 euro aan stroom gejat. Drie keer raden wie. Nou, ik niet hoor, zegt Koos. Nee, echt niet.

De rechter gelooft daar natuurlijk geen barst van.
“Als u het niet gedaan heeft, wie dan wel?”
“Ik zou het niet weten, edelachtbare.”
“Moet ik dat nu echt geloven? U heeft een hennepkwekerij gehad. Er is met de meter gesjoemeld, maar ú heeft dat niet gedaan?”
“Nee, ik was het niet.”
“Wie dan wel?”
“Geloof me, ik heb nooit aan die meter gezeten. Ik ben veel te bang voor stroom.”
De rechter kijkt vol ongeloof naar de officier van justitie. Die schudt met haar hoofd.

“Vraag het aan mijn vader!” roept Koos opeens. Zijn vader zit achter hem, op de publieke tribune.
“Nee”, slaakt de rechter op dreigende toon. “Dat is niet de bedoeling.”

Toen de stroomdiefstal aan het licht kwam, sloot de energiemaatschappij de elektriciteit af. Daar zat Koos dan, midden in de winter, zonder verwarming. Hij moest 4300 euro betalen om weer stroom te krijgen.
“Waarom heeft u dat eigenlijk betaald?” vraagt de rechter. “U bent toch onschuldig?”
“Ja”, antwoordt Koos, “ik werd gewoon voor het blok gezet! Ik woon bij mijn ouders. Die kan ik toch niet in de kou laten zitten? Die mensen zijn tachtig jaar.”
“Meneer, u moet gewoon de waarheid vertellen.”
“Dat doe ik.”

De rechter is met stomheid geslagen. “U kunt hoog en laag springen, maar ik heb de foto’s van de energiemeter gezien. Het is duidelijk dat ermee geknoeid is. Als u dat niet ziet, heeft u een blinddoek om. Uw verhaal dat u nergens van afwist, geloof ik absoluut niet.”

Hij legt een taakstraf van zestig uur op, plus een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand.
“Gaat u in hoger beroep?” vraagt hij vervolgens.
Koos denkt diep na. Dan zegt hij: “Nou, ik denk dat het geen nut heeft.”
De rechter knikt. Nee, dat heeft inderdaad geen nut, lijkt hij te denken.

Als Koos de zaal verlaten heeft, kijkt de rechter de officier van justitie aan: “Haha, hoorde je dat? Hij had het écht niet gedaan, zei-ie.”
Daarna beginnen ze allebei te lachen. Om Koos en zijn verklaring.

Koos heet geen Koos.


Andy Fordham is weer dik

oktober 10, 2011

Andy Fordham zit buiten op een stoel in de schaduw. Puffend. Zuchtend. Kreunend. “It’s hot”, klaagt hij. De één na de andere zweetdruppel valt uit zijn lange haren. Ter verkoeling slurpt hij aan een flesje Amstel Malt. Hij drinkt geen alcohol meer. Mag niet van de dokter. “Op 8 januari 2007 heb ik mijn laatste biertje gedronken”, weet Fordham nog. “Om kwart voor zes precies.” 

De darter herinnert het zich als de dag van gisteren. Tijdens de Lakeside van 2007, drie jaar nadat hij daar zijn eerste (en laatste?) wereldtitel behaalde, werd hij met spoed naar het ziekenhuis afgevoerd. Zijn ongezonde levensstijl was hem bijna fataal geworden. Hij had zichzelf op een haar na dood gedronken, zei de dokter tegen hem.

Fordham mocht voortaan geen alcohol meer drinken. Geen druppel! En ook zijn eetgewoontes moesten op de schop. Fordham gehoorzaamde en viel meer dan honderd kilo af. Op een gegeven moment leek The Viking in de verste verte niet meer op een Viking. 

Maar dat was vroeger. Terug naar vorige week, naar een kroeg in Breda. Fordham doet mee aan een toernooitje voor een goed doel. Tot ieders verbazing lijkt de darter niet meer op een wandelend lijk. Die honderd kilo is voor een groot deel terug. Andy Fordham lijkt weer op Andy Fordham.

“Ik ben ziek geweest”, legt hij in zijn stoel uit. “Mijn lever produceerde niet wat mijn lichaam nodig had. Dat moest ik compenseren door veel te eten. Ik at ijs en weet ik veel wat nog meer. Inmiddels doe ik het rustiger aan.” 

Die laatste zin neemt hij nogal letterlijk. Fordham sloft door het café als hij hoort dat hij een wedstrijdje moet gooien. Zuchtend duwt de Engelsman zichzelf vooruit. Eenmaal op baan zes ziet het er niet veel soepeler uit. Hij gooit zijn pijlen in slowmotion naar het bord en komt puffend teruggesjokt. “It’s hot.”

Zodra de wedstrijd is afgelopen, duwt Fordham zijn lichaam meteen weer in zijn stoel. Zijn conditie laat hem in de steek. Hij ziet eruit alsof hij een marathon heeft gelopen, maar in werkelijkheid heeft hij drie legs gegooid. 

Terwijl hij aan het bijkomen is, neemt hij weer een slok van zijn Amstel Malt. Het valt hem zwaar dat hij geen écht bier meer mag drinken. “Dat is ontzettend moeilijk voor me. Ik zou het nog iedere dag willen doen. Maar als ik één biertje neem, ga ik dood. Dat wil ik mijn vrouw niet aandoen. Zij heeft het door mij al moeilijk genoeg gehad.” 

Na zijn opname in het ziekenhuis heeft Fordham nooit meer een fatsoenlijke worp gegooid. Zijn pijlen vallen niet meer in het juiste vakje. Hij is overgestapt naar de PDC en staat 303e (!) op de ranking. Een schrikbarend resultaat. Fordham heeft er een simpele verklaring voor. Hij kan gewoon niet zonder alcohol.

“Vroeger dronk ik altijd een paar biertjes voor de wedstrijd. Dat hielp me om mijn zenuwen in bedwang te houden. Nu moet ik me daar overheen zetten. Het is lastig om zonder alcohol op het podium te staan. Dan ben ik nerveuzer. Dat beïnvloedt mijn prestaties.” 

Blijkbaar bracht alcohol hem dus niet alleen bijna de dood. Het bracht hem ook een wereldtitel.


De tolk heeft haast, de verdachte niet

september 30, 2011

In de wachtruimte kijkt een vrouw op haar horloge. Het is de tolk. Ze schuift onrustig over haar stoel en je kunt haar gedachten raden: schiet op verdomme, het is bijna half twee, waar blijft die gozer? 

“Ik moet uiterlijk om half drie weg”, snauwt ze tegen de advocaat van de verdachte. Om drie uur moet ze in Rotterdam zijn.
“Wacht, ik bel hem wel eventjes”, is zijn reactie.  

De advocaat vist zijn telefoon uit zijn binnenzak, kijkt eens goed naar het toestel en drukt onhandig op een paar knoppen. Tegen zijn eigen verwachting in heeft hij binnen een paar seconden iemand aan de lijn. “Ja hallo? Met je advocaat. Waar ben je? O, je bent in de buurt? Bij de pinautomaat? Nou, dan zien we je zo. Tot straks.”
Dan hangt hij op en kijkt hij naar de tolk. “Hij komt eraan hoor.”

Waarom er eigenlijk een tolk nodig is, weet niemand, want de verdachte blijkt over de telefoon gewoon Nederlands te praten.

Om half twee is hij nog steeds niet gearriveerd. De advocaat besluit de bode in te lichten.
“Kunnen we nog even wachten?”, vraagt hij heel voorzichtig. “Hij is er bijna hoor. Net was-ie bij de pinautomaat.”
“Oooooooh dan wachten we nog effetjes joh”, stelt de bode hem gerust. “Dan moet-ie zo binnenwandelen hè. Tenminste, als-ie de goede kant op loopt.” 

Daarna barst de bode in lachen uit alsof ze de kieteldood krijgt. Iedereen in de wachtruimte kijkt haar vragend aan.
De advocaat blijft uiterst serieus. “Goed, dan bent u in ieder geval op de hoogte gesteld.”

De tolk kijkt weer eens op haar horloge. Ze is aan het aftellen.
“Ik moet echt om half drie weg hoor”, sist ze wederom.
“Tja”, zegt de advocaat, “ik heb hem gisteren nog uitgelegd met welke bus hij hier moet komen.” 

Een paar minuten later rinkelt de telefoon achter de balie van de bode. De rechter wil beginnen met de zaak.
“Maar de verdachte is er nog niet”, zucht de bode naar de andere kant van de lijn. “Wat zullen we doen?”
Het blijft stil.

De tolk kijkt de grote wijzer nog maar eens aan.
Half drie, moppert ze. Half drie.

Plotseling slaakt de bode een kreet door de wachtruimte. “Ooooooh daar komt ie-aan! Daar is-ie hoor. Jaja, het is hem.”

Om kwart voor twee betreedt het gezelschap de rechtszaal. Iets voor half drie staan ze allemaal weer buiten. De tolk kijkt weer eens op haar horloge en neemt snel afscheid van iedereen. Ze kan op tijd in Rotterdam zijn.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.